Het was aanmodderen

Lekker modderen ….

Toen ik deze zomer de laarzen uit de kast haalde om de open dag voor de opgravingen van De Commanderie te bezoeken voelde ik een gevoel van nostalgie opkomen. We stonden met tientallen geïnteresseerden in een groot modderveld aan het Oldenzaalsvoetpad en keken op naar bergen gesaneerde grond maar hadden speciaal aandacht voor de diep uitgegraven moddersleuven waar de funderingen van het voormalige huis Ootmarsum zo maar open en bloot voor iedereen zichtbaar waren gemaakt. Het sopte onder je voeten want er was net een geweldige regenbui geweest en ik kreeg de onweerstaanbare drang eens lekker in de modder te stampen en wanneer het zou kunnen had ik me er graag in ondergedompeld. Modderbaden zijn toch gezond! Onwillekeurig ga je dan terug naar je jeugd. Toen was modder heel gewoon. Er wordt wel gezegd dat het helemaal niet erg is dat een spelend klein kind modder binnen krijgt zand schuurt de maag” is een bekend spreekwoord.
Vroeger speelden de kinderen veel meer buiten. Tegenwoordig is dat meer dan de helft minder dan twintig jaar geleden. Jammer, want buitenspelen maakt creatiever en gelukkiger. Bij mij was de natuur er vroeger altijd. We hadden aan de Grotestraat weliswaar geen tuin, maar de Engels’Tuin, de tuintjes op het Hazelrot ( toen er nog geen Wortelboerstraat was) en de kloostertuin (toen er nog geen Parksstraat was) vormden een mooi domein. “Meske pingein” ofwel”landveroveren” met een oud tafelmes of je nieuwe zakmes op een stuk vlak gemaakte grond, of “Knikkern kipoe” met kleiknikkers of soms zelfs met grote glazen knikkers, met de kinders van Ossenvoort, Silderhuis, Wilbers, Heupink of kinders nog verder uit de buurt. Met de blote voeten in de vijver van Engel’s Tuin gaan staan, doodstil, met je handen onder water met de palm naar boven en dan wachten tot er een grote goudvis voorbij kwam en dan in één keer die joekel op de kant gooien en dan er zo lang mee dollen tot z’n staart niet meer sloeg. Bij de uitloop van de vijver was het ook lekker soppen.
Boordevol kikkerdril. Met een rietje een kikker opblazen en in een jampotje dikkopjes meenemen om thuis te zien hoe de glazen bolletjes met stipje, kikkertjes werden. Wanneer je ouder wordt ga je de verdere omgeving ontdekken. Met de fiets naar het Springendal, zwemmen in Janninks kolk, banjeren door de beken. Meestal ging je met de fiets maar vaak werden het speurtochten met deze of gene langs s’Heeren wegen zonder een vast doel. Onderweg kattekwaad uithalen, “zoerblare ett’n”, zo van de kant van de weg en bessen plukken omdat M&M’s en Smarties nog niet bestonden.
In het najaar tegen de kermis was het “ekkelgaddern” geblazen. Op naar de Vasserweg, bij Veneklaas, jutezak mee en maar eikels rapen. Wanneer je een zak vol had bracht je deze naar “Bloom’s Brul”, Cichorei- ,eikel- en Peekoffiefabriek aan de Oostwal waar nu de tuin van het Drostenhuis is. Een kwartje per zak voor de kermis verdienen was toen een spannende zaak. In de appel hof van de zusters op de plek waar het postkantoor stond aan de Parkstraat, groeiden de lekkerste appels en peren, maar er stond een hoog hek omheen. Dat was voor ons geen bezwaar, de appels waren altijd zuur en niet rijp, je mond trok er van samen en je moest schudden met de kop. Bij de schuur van boer-bakker Grimberg aan de Westwal hingen meestal vellen van geschoten konijnen aan de deurpost, stonden twee koeien en een paard op stal en lag er altijd een mesthoop waarin we naar pieren zochten om mee te vissen. Bij mooi weer en wanneer het koren op het veld stond trokken we naar de Ageler es achter de molen van Oude Hengel. Lekker rennen door de rogge en het was spannend of de Höwerboer het ook zag en je wegjoeg. Van stro en korenbloemen vlochten we kransen: geel en blauw, de kleuren van Ootmarsum. Sporadisch werd afgewaaid naar de Bommelbakker, de plek van het voetbalveld waar een lange laan – de Alleweg- toch iets spooachtigs had. Van daar uit kon je bij de vijvers komen: ‘n grootn en ‘n kleinn kolk. s’Winters was er schaatsen met koek en sopie en muziek door Herman Buyvoets. Walsmuziek, waar de echtparen strak naast elkaar hun rondjes draaiden. We probeerden vanaf de wal op het lage gelegen ijs te springen met de schaatsen onder en dan met een vaart weg te schieten. Na een paar keer met een harde klap op m’n rug kennis maakte met de hardheid van het ijs, werd het meer serieuze werk zoals “beentje over”geoefend. Vóórdat het ijs dik genoeg was probeerden we dat natuurlijk in Engels’Tuin uit: tot ik eens staand op het fragile ijs midden op de vijver stond en onder gevaarlijk gekraak naar beneden zonk in de modder. Chris Asbreuk sleurde me er uit en thuis gekomen mocht ik rekenen op stevig gefoeter,een klap om de oren en direct naar bed. Gedurfd was ook de Kuiperberg safari. Op de fietsen gewapend met een schop tegenover Tiethof, langs het weideke van Grimberg naar de zandafgraving op de Valkenberg. Midden in het bos, mooi verstopt: daar moesten we een hut maken. Bovenop de rand van de zandafgraving begonnen we te graven tot we een grote kuil hadden waarin een ‘raampje’ gemaakt werd zodat we over de hele kuil konden uitkijken. De bovenkant afdekken met takken en de ingang camoufleren. In het bijna stikdonker zaten we dan bij het licht van een petroleumlampje de meegebrachte Bussink’s koek op te peuzelen. Lang hebben we geen plezier gehad van de hut. De kuil regende vol en we zaten in de modder. Niet veel later had een rivaliserende club de hut ontdekt. Ik wil niet met modder gooien, maar Pielke Voshaar, Pellie Hulsink, Oude Daalhuis en consorten hadden de tent leeggeroofd en de kuil volgegooid.

De laarzen gingen ook vaak mee wanneer het water in Ootmarsum ontdekt moest worden. Achter de molen van Oude Hengel stapten we dan in “den grootn duuker” die onder de Oldenzaalsestraat doorliep en uitkwam bij de Chiel Wientjes. Je kon bijna rechtop in het riool staan. Langs de beek kwamen we dan bij de uitloop van de riolering in de kleine kolk, waar het altijd stonk. Door een ijzeren rooster en via een groot plateau zat je dan te modderen in ‘kloake’ van de stad. Heerlijk toch. Modder is de moeder van de natuur, het is de oersoep waaruit leven ontstaat. De heerlijkste modder maakte moeder bij speciale gelegenheden. Je kunt het niet in de winkel kopen: Arretje Nof. In een grote kom werd suiker en chocolade en verwarmd vet door elkaar geroerd en gingen er gebroken Maria koekjes in, waarna de vorm bij het open keukenraam afkoeling moest vinden en er nadien plakken van werden gesneden. Maar het fijnste was het uitlikken van de roerkom : de lekkerste modder van de wereld …..

RM

Nov.2014