Humor in de kerk

Het werd je vroeger al op jonge leeftijd bijgebracht : je moest goed gelovig zijn en daar horen vaste rituelen bij. Een van die rituelen was de eerste communie. De pastoor had op school al een paar keer verteld hoe belangrijk dat was en hoe je je moest gedragen want je kreeg immers voor het eerst het lichaam van Christus. Met kapelaan Ottink, moesten we dan met de klas naar de kerk en dan legde hij uit hoe de afloop van zo’n dienst was. Stilzitten, bij het evangelie opstaan en bij de communie naar voren lopen, knielen op de communiebank, de handjes onder het gehaakte laken, hoofdje omhoog en tongetje naar buiten en denk er aan je mag niet op de hostie bijten en in één keer doorslikken. Daarna ga je stil in de bank zitten mediteren.. De communiebank van toen in de kerk was een mooi met houtwerk versierde afscheiding van het hoge geestelijke gedeelte en het volkse gedeelte. Twee smeedijzeren poortjes gaven verbinding naar het hogere gedeelte. Op die communiebank lag een grote marmeren plaat en daar overheen hing een fraai wit kleed. Afijn de grote dag kwam en het grote moment kwam : kapelaan Ottink draaide met een grote sleutel het tabernakel open en haalde de gouden ciborie voor de dag. Vol met hosties. We moesten plaatsnemen aan de communiebank en na afloop stapte Ottink weer naar het altaar en draaide het tabernakel weer op slot. Hij keek om en zag nog een jongetje met een rood hoofd aan de communiebank zitten. Het was Bennie Olde Meule Bommetje van de schoenmaker. Er van uitgaande dat hij iemand was vergeten draaide Ottink het tabernakel weer open en ging met de gouden ciborie naar de communiebank. Hij boog zich voorover naar Bennie en fluisterde , “Wat is er jongen ?” Heel onverwacht klonk het met een snik door de kerk “Ik kan ‘m nich votkriegn”. De hostie plakte tegen zijn gehemelte en hij vond dat hij niet eerder naar z’n bank kon gaan dan wanneer Christus in de slokdarm zat.
Deze gebeurtenis was wel een mijlpaal want iedereen kon de humor daar wel van inzien en ook ik begon de geloofsbeleving met een humoristische blik te bekijken.
Vroeger volgde ik ook steeds Fons Jansen met de “Lachende kerk”, hij is wat laat begonnen -een zogenaamde ‘late roeping’- . Hij kon de katholieke kerk, die toen nog in de autoritaire periode zat, behoorlijk op de hak nemen. Op een leuke manier. “Achter in de kerk staat een bus, die vertrekt maandag naar Kevelaar.”of “In de stiltemis begint vanavond het hoesten rechts achter in de kerk” of “Op allerzielen is er een mis voor alle overledenen, we hopen dat ze allemaal komen”.
Grapjes maken over de kerk was wel gedurfd in die tijd. De pastoor was oppermachtig, kon je van school sturen, kwam bij je ouders thuis en bepaalde welke films er in de bioscoop gedraaid werden.

We hadden een heeroom, en als die kwam logeren stond het hele huis op de kop.
Er moesten sigaren worden gehaald, de logeerkamer moest in orde worden gemaakt, er moesten flessen Liebfraumilch gehaald worden en we moesten stil zijn. Het was een imposante pater, die Pater Dominicaan Carl.O.Meijer. Hij was van Oostpriesterhulp. Een keer kwam hij zelfs met de grote Oost- priesterhulp wagen. Een grote trailer met ingebouwde kapel waar in de openlucht missen werden gelezen en in de rest van de trailer konden spullen worden opgeslagen voor arme mensen in het oost- blok. Trots was ik op hem, wanneer hij boven op de kansel stond en preekte over onze decadentie en het egoïsme en de hele kerk wakker schudde wanneer hij met z’n vuist op de kansel sloeg terwijl zijn zware stem door de kerk galmde. Het was voor hem nooit kruis of munt, het was kruis én munt. Wanneer je na zo’n donderpreek nog niks voor het oostblok over had kwam je zeker in de hel.
s’ Morgens werd je dan wakker door een raar geluid. Kraak, kraak, op de overloop. Iedere keer dichterbij en dan weer verder weg. Langzaam de deur van de slaapkamer open en ja hoor, Pater Carl. Aan het brevieren. In z’n witte habijt en zwarte krakende schoenen liep hij op de overloop heen en weer met de bijbel in zijn handen, een bijbelverhaal te mummelen. Onder het genot van een wijntje en een sigaar werd dan s’ avonds de situatie in het huishouden doorgenomen. “Als je later groot bent, en je bent getrouwd, dan moet je nooit gaan slapen wanneer je niet alles met elkaar hebt uitgepraat”.was zijn wijze les. Ik vroeg me dan altijd af hoe hij dat dan regelde. Oom Carel, u bent onze heeroom, maar wanneer u een vrouw was geweest was u dan onze heertante ?
Als hij er was moest hij de mis lezen. Als er in de kerk geen mogelijkheid was dan maar in de kapel van het klooster. Ik moest natuurlijk misdienaar zijn. De zwarte habijt en een witte superplie werden meegenomen uit de grote kerk. In het klooster drukten de hardstenen trappen van het altaar rillen in je knieën, maar na een dik uur was je dan ook klaar. Als de jongens niet konden dan nam een zuster dit over die noemde hij dan ‘Non-actief ’. Ze hadden in het klooster ook een zuster die naar buiten mocht optreden en het woord deed. Dat was de ‘non-verbaal’.

Bij de pastoor en kapelaan moesten we verplicht biechten. Dan zat je in de banken achter de biechtstoel en zag steeds mensen naar binnenkomen en weggaan. Je ging er toch op letten, want tenslotte waren het allemaal bekenden. “Nou, die zat er lang, daar is vast iets niet in orde… “
Soms, eigenlijk meestal, wist je het niet meer. “Eerwaarde vader mijn laatste biecht is geweest zoveel weken geleden”. Je zei maar wat, want je wist toch dat hij jouw bezoekjes niet in zijn dagboek schreef en hij kon je zogenaamd ook niet zien want er zat gaas tussen. Maar hij had direct door met wie hij te doen had. Ik zei, meneer pastoor, ik weet het niet meer. Nou, dan zal ik je wel overhoren : ‘heb je wel eens gevloekt ?’ “nee meneer pastoor”. ‘Heb je iets gestolen ?’, “nee, meneer pastoor”. Heb je onkuisheid begaan ?’, “nee, meneer pastoor”. Nou dan weet ik het ook niet meer. ‘Schiet jou nog iets te binnen ?’, “Ja, meneer pastoor ik heb wel eens gelogen……”.

Herman Finkers is ook een sterk gelovig mens. Hij heeft zelfs een kapel aan huis net als de edelen vroeger. Maar Herman is van deze tijd. Ken je deze :
Omdat het niet meer gaat
bel je het omroeppastoraat
en je zegt aan de telefoon :
Pastor, ik zit in een crisis.
ik heb het gevoel dat mijn vader
niet mijn echte vader is.
Waarop de pastor zegt : “Hoezo mijn zoon ? ” …….

Er is veel veranderd in de kerk en er moest ook veel veranderen. Geloof gaf je vroeger wel houvast en je kon zelf bepalen hoe intensief je jezelf engageerde. Geloven in deze tijd betekent voor velen geen geloof meer, maar het is belangrijk evenwicht te zoeken. Vasthouden aan grondbeginselen zoals ‘wie goed doet, goed ontmoet’ en wat overhebben voor een goeie samenleving, blijven waarden die van alle tijden zijn.

Rob Meijer